Tekst: Lieke van den Krommenacker | Illustraties: Edward Kobus
Na de scheiding was Zacks vader op een dag thuisgekomen met een paar bokshandschoenen en een bokszak. Het was zijn manier om zijn vijfjarige zoon met emoties te leren omgaan. Verdrietig? Boksen. Kwaad? Boksen. Opgewekt? Boksen. Vandaag, in de kleedkamer voor zijn eerste grote wedstrijd, had Zack geen idee meer waar het een begon en het ander ophield.
‘Emotie is expressie,’ zei zijn vader elke dag wel een keer. Meestal vlak voor het eten, als ze samen aan tafel zaten. Die zin was waar hij rotsvast in was gaan geloven. En waar je in geloofde, dat moest je herhalen, net zo lang tot anderen het ook geloofden. Hij ramde woorden in hoofden en, als dat niet hielp, gaten in deuren. Sommige mensen baden tot God; zijn vader bokste zich door het leven, in de hoop het gecontroleerd de juiste kant op te slaan.
Zo leerde Zack al vroeg te voelen door zijn vuisten. Zijn droevige slag was van een heel ander kaliber dan wanneer hij er boos op los beukte of levenslustig opwaartse stoten uitdeelde. Via de boksschool, waarvan zijn vader hem al vroeg lid had gemaakt, was hij bovendien in aanraking gekomen met kickboksen en, later, met de vechtsport die zijn hart definitief had veroverd: mixed martial arts. Nu was Zack vijftien en kon hij als hij wilde geraffineerd de bloedtoevoer naar iemands hersenen afknijpen met een rear naked choke.
Het kooivechten gaf Zack een kick die met weinig anders, of eigenlijk niks anders, te vergelijken was. Wanneer hij klappen kreeg, transformeerde de tintelende pijn ergens binnen in zijn lichaam – op een plek waar hij zich, hij kon het niet anders verwoorden, heel voelde, een Zack van de puurste soort – tot een levensenergie die hem zowel vertrouwd als vreemd was. De man in jezelf wakker maken, noemde zijn vader dat. Zack ervaarde het eerder als het tegenovergestelde; een zacht maar duidelijk tegen de wereld opgewassen zijn.
Het enige wat vandaag telde, had zijn vader hem vanmorgen voor de kleedkamerdeur op het hart gedrukt, was: niets voelen. Het was: alle gevoel uitschakelen, tot er alleen nog koelbloedigheid overbleef. ‘Zack fights back! Weet je nog?’ Zack voelde weer hoe zijn vaders greep om zijn schouders was verstrakt. Hij keek naar zijn handen, ze trilden. Hij verlangde naar de zee, naar het stukslaan van de golven. Hij beeldde zich zijn tegenstander in, toen zijn vader, en schaduwbokste wat slagen door de bedompte kleedkamerlucht. Straks, in de kooi, zou het trillen vanzelf stoppen.
Sinds zijn moeder was vertrokken, had Zack zijn vader langzaam zien opschuiven in de richting van het soort man dat hij vooral kende uit series en van sociale media. Deze types lieten zich online opjutten door jonge gespierde sportschool-influencers die in korte snelle filmpjes repten over mannelijkheid en dominantie. Taal die ook de sportschool was binnengedrongen waar Zack twee keer per week extra trainde om zijn spieren op vechtsport-sterkte te houden.
Het was zijn vaders grootste droom: Zack in de landelijke MMA-competitie krijgen, zodat hij via een livestream kon laten zien waar hij, zijn zoon uit het altijd onderschatte Noordbaai toe in staat was. Gemodelleerd naar de megalomane knokpersoonlijkheden van zijn online inspirators met hun klap-slik-weg-ideologie zag hij in Zack een vechter van verlossende proporties. Ook Zack zelf droomde groots: goed genoeg worden om van het vechten te kunnen leven en aardig genoeg blijven om een voorbeeld te zijn voor jongens als hij.
In zijn jonge jaren was zijn vader een veelbelovend bokser geweest. Een straatvechter, net op tijd van het asfalt geplukt en de ring in getrokken door een betrokken en oplettende buurtwerker. Opgegroeid in de verloederde straten van een Noordbaaise achterbuurt trok hij ’s ochtends de door de zeewind toegetakelde en afgebladderde grijsblauwe voordeur van zijn ouderlijk huis dicht, om pas tegen de avond weer terug te keren. De tussenliggende uren bracht hij niet door op school, maar op het parkeerterrein van de nabijgelegen discount-supermarkt.
Zijn hersenen hadden tijdens zijn kortstondige maar intense bokscarrière zo veel klappen opgevangen dat hij op last van de dokter had moeten stoppen. Als een verstokte roker was hij eerst gegaan voor ‘gefaseerd afbouwen’. Wegens wisselend succes en gestaag toenemende duizeligheid had hij tenslotte huilend zijn bokshandschoenen begraven in de tuin en zijn lidmaatschap van de boksschool opgezegd. Dat ging een tijdje goed, tot Zacks moeder ervan overtuigd raakte dat deze hoeveelheid melodrama meer iets was voor in het theater dan een huwelijk. Nu was zijn vader een gezelligheidsbokser: hij sloeg alleen nog op feestjes.
Op een van deze avonden was het dubbel raak geweest: one man down en een vrouw mee naar huis. Zo had het in de knop geknakte bokstalent een nieuw bokstalent voortgebracht. Zijn vaders onvoorwaardelijke steun en aanmoediging hadden Zack onmiskenbaar op een spoor gezet – en daar was hij dankbaar voor. De jongen, grootgebracht tussen dezelfde slecht geïsoleerde muren van een gehorig rijtjeshuis, had zich al vroeg gerealiseerd: jezelf op een spoor zien te krijgen was de enige manier. Wilde je tenminste niet eindigen achter de kassa van de plaatselijke discount-supermarkt met betonnen uitzicht.
Zack keek naar zijn handen. Hij hoorde hoe zijn naam door het complex schalde, de opwinding in de stem van de omroeper. Hij stelde zich de vuisten van zijn tegenstander voor, toen die van zijn vader, steviger gebald dan ooit tevoren. Steeds zachter zei hij: koelbloedig. En wist niets anders te doen dan zijn handen onder zijn billen te schuiven en erbovenop te gaan zitten. Misschien, dacht hij, als ik hier lang genoeg blijf, houdt het vanzelf op.