Een schilderij als tijdmachine en een muurschildering met een verhaal.
LETTER spreekt met Anne-Goaitske Breteler (1996) uit Moddergat en Lida Dijkstra (1961) uit De Knipe, twee schrijfsters van twee verschillende generaties. Lida Dijkstra debuteerde in 1994 met het Friestalige kinderboek Sjoerd Stiensma syn reis troch de tiid. Dat was misschien niet gebeurd als ze in 1992 niet had besloten om haar baan als conservator bij Museum Joure op te geven en fulltime schrijfster te worden.
Tekst: Tsjerk Bottema | Foto’s: Natalia Balanina
Lida: ‘Na het overlijden van mijn vader tijdens mijn zwangerschap, vroeg ik me af: “Wat wil ik nu echt?”. Ik deed een cursus creatief schrijven bij Akky van der Veer. Aan de hand van mijn verhalen werd al snel duidelijk dat kinderliteratuur mij het beste lag. De wereld van het kind, het beeldend denken, de verbeelding – daarbij voelde ik me thuis. Akky zei tegen me: “Je moet een boek schrijven.” Dat leek me een hele opgave – kan ik dat wel, een boek schrijven?’ Inmiddels heeft ze echter wel 118 (!) boektitels op haar naam staan, waar ze veel prijzen voor kreeg, van de Simke Kloostermanpriis tot de Gouden Griffel. ‘Hoe was het’, vraagt Anne-Goaitske, die direct al de rol van interviewer van mij overneemt, ‘om als kinderboekenschrijfster te beginnen met een opgroeiende dochter?’ ‘Mijn dochter Ingeborg was voor mij een grote bron van inspiratie’, antwoordt Lida. ‘Haar fantasie, haar uitspraken, de gekke avontuurtjes die ze bedacht of meemaakte – dat leverde een stroom aan ideeën op. Nu ze volwassen is, merk ik wel dat die constante stroom van kinderinspiratie wat is weggevallen.’
Anne-Goaitske, die in 2024 moeder werd (haar vader Gerrit Breteler overleed in ’23), herkent dat: ‘Mijn zoontje Gerrit-Durk en zijn belevingswereld geven mij ook inspiratie. Ik sta op een punt in mijn leven dat ik behoefte heb aan rust. Ik weet momenteel eigenlijk niet zo goed welke verhalen ik wil schrijven, of dat fictie, non-fictie is, verhalen voor kinderen, of over mijn familie. Voor het eerst vind ik het eigenlijk heel fijn om het niet precies te weten, maar gewoon te bekijken wat er op mijn pad komt, en daar vertrouwen in te hebben.’ ‘Dat mijn debuut De traanjagers (2018) er kwam, is eigenlijk een toevallige samenloop van omstandigheden. Als zestienjarige werkte ik in café De Bonte Bok in Lioessens, met een muurschildering over de walvisvaart, die me fascineerde. Zodoende ging mijn profielwerkstuk op de middelbare school daarover en over de betekenis van die muurschildering. Toen ik later antropologie in Amsterdam studeerde, dacht ik aan de oude foto’s van de walvisvaart die er nog lagen, en nam me voor daar een fotoboek mee onderschriften van te maken. Daaruit ontstond het boek.’ Lida betwijfelt of het allemaal toeval was: ‘Er hadden wel honderd andere mensen in dat café kunnen werken, die deze muurschildering niet was opgevallen. Dat jij je antenne juist daarop richt, dat is jouw kwaliteit.’
Breinroer
Beide schrijven zowel in het Fries als het Nederlands. Anne-Goaitske: ‘Bij mijn eerste Friestalige boek voor volwassenen merkte ik dat het Fries mij helpt om dichter bij mezelf te blijven. Ik schreef Oan ‘e ein fan De Oere (2025) in zes maanden. Over De laatste dagen van de dorpsgek (2024) deed ik zes jaar. Dat was veel meer een worsteling. Het onderwerp – geestelijke gezondheid – is al abstract, en dan schrijf je ook nog in een taal die niet je moedertaal is. Mijn Nederlands wordt dan al gauw wat archaïsch. Dat komt de leesbaarheid niet altijd ten goede. Als ik personen sprekend opvoerde, kwam de souplesse weer terug.’
Lida wil de taal in haar boeken niet uitkleden omdat kinderen het anders niet zouden begrijpen: ‘Als ik een woord zelf nooit gebruik, kan ik ook niet verwachten dat kinderen het zich eigen maken – dan verdwijnt het gewoon. Dat geldt voor elke taal. Juist daarom schrik ik er niet voor terug om wat moeilijkere woorden te gebruiken, ook niet in mijn boeken voor jonge kinderen, zoals de Gouden Boekjes over Sipke. Een woord als breinroer gebruik ik dan gewoon. Het mag best een uitdaging zijn, “laat ons dat eens aan opa vragen”. Het gaat mij om rijke taal, met alliteratie, ritme, en teksten die zingen.’
Bij Lida haar boeken is de tekst er altijd eerst. Hoe het er uiteindelijk uit komt te zien, hangt af van het soort boek en van de samenwerking met de illustrator: ‘Sommige illustratoren vinden het fijn om te brainstormen, anderen maken eerst schetsen, zodat ik hun ideeën kan zien. Met Djenné Fila werk ik op een heel natuurlijke manier samen. Ze werkt heel autonoom, brengt haar eigen interpretatie in, wat het verhaal nog rijker maakt. Bijzondere foto’s die ik tegenkom bij mijn onderzoek verzamel ik en als de eerste versie van het verhaal klaar is, deel ik die beelden met haar, zodat ze de sfeer van het boek beter kan vangen. Zo ontstaat er een diepere laag.’ Zo ook bij De wonderverteller (2024). Een mooi voorbeeld is volgens Lida een illustratie aan het einde van het boek van Topina, die op reis gaat in een gondel. In haar schaduw zie je Marco Polo.
Tijdmachine
‘Momenteel verdiep ik mij in zeventiende-eeuwse schilderijen voor een nieuw kinderboek, over Cornelia, de dochter van Rembrandt. In die schilderijen zit zoveel: het straatbeeld, een zwerfhond. Het geeft me het gevoel dat ik in een tijdmachine stap. Het gaat mij om het dagelijks leven van toen – wat voor kleding droegen mensen, wat aten ze, hoe zagen hun dagen eruit?’
Anne-Goaitske streeft ernaar om “literaire non-fictie” te schrijven: ‘Reve zei al: “Echt gebeurd, is geen excuus”. Ik stel mezelf altijd de vraag: wat is te mooi om waar te zijn, maar wel echt gebeurd, en wat moet je zelf toevoegen om het smakelijk te maken? Voor mijn boeken neem ik veel interviews af’, vertelt ze, ‘zestig procent is oral history. Op die momenten, als ik bij mensen aan tafel zit, komen de juweeltjes naar boven. Als ik aan het schrijven ben, kom ik de losse eindjes tegen. Ik ga ver om die aan elkaar te knopen.’
‘Hoe doe je dat’, vraagt Lida, ‘als de nabestaanden nog leven?’ Anne-Goaitske: ‘Ik moet me voorzichtig in het schrijven opstellen, omdat het allemaal heel gevoelig ligt. Bij De laatste dagen van de dorpsgek kon een bepaalde formulering voor nabestaanden voldoende zijn om een hele passage te willen schrappen.’
Ook bij Lida luistert het nauw: ‘Bij historische onderwerpen vind ik het heel belangrijk om de werkelijkheid en de feiten te respecteren. Die zijn zoals ze zijn, en hoewel het de plot niet altijd ten goede komt, kies ik er toch voor om trouw te blijven aan de geschiedenis. Het moet kloppen: als een gebouw er toen stond, moet dat ook zo in het verhaal terugkomen. Ik wil geen kletskoek verkopen.’
Nieuwe vormen
Toch sluiten beide niet uit om zich in de toekomst nog eens op onbekendere paden te begeven. Lida Dijkstra schreef met Ik, Anna (2009) al een historische roman – voor volwassenen – en van Anne-Goaitske Breteler kwam in 2020 In nuvere nacht uit, een historisch kinderboek in de geest van Lida Dykstra. Anne-Goaitske is er het meest resoluut in:
‘Ik wil in de toekomst graag nieuwe vormen proberen. Door meer in het Fries te schrijven, poëzie misschien ook. Ik wil meer mijn eigen kwetsbaarheid opzoeken; dat is een persoonlijke uitdaging, die ik graag wil aangaan.’ Voor haar is het schrijven ook een manier om meer over zichzelf te leren: ‘Waarom denk ik en doe ik, zoals ik doe? Wat is cultuur, en wat krijg je mee in je genen? Als ik andere mensen bevraag en hun verhalen onderzoek, moet ik dat proces ook zelf doorlopen.’
De laatste dagen van de dorpsgek begint met een proloog en een hoofdstuk over haar betovergrootvader, de Friese schrijver Reinder Brolsma, die zich in de oorlog wel aanmeldde voor de door de bezetter ingestelde Cultuurkamer en in 1941 de nieuw ingestelde Harmen Sytstraprijs in ontvangst nam. Dat werd hem na de oorlog zwaar aangerekend. Het had een grote invloed op zijn gemoedstoestand. In 1953 beroofde hij zich van het leven. Anne-Goaitske: ‘Reinder Brolsma was voor mij de eerste stap om iets van mezelf te laten zien. Het kwam van twee kanten: ik wilde wat met geschiedenis van de psychiatrie, maar ik wist ook dat dit verhaal er lag. Het was voor mij de manier om zelf te ervaren wat het is om het taboe op geestelijk ongezond zijn met en in mijn eigen familie bespreekbaar te maken.’
Rolmodel
Anne-Goaitske is ook podcast – en expositiemaker, en Lida was Berneboeke-ambassadeur, is Schoolschrijver en geeft af en toe schrijfcursussen. Is dat voor hen een noodzaak?
Anne-Goaitske: ‘Het hangt er van af wat de drager van mijn verhaal is. Dat kan een boek zijn, maar het kan ook in de vorm van een podcast, of een expositie. Ik vind het fijn om in verbinding te staan met mijn lezers; ik wil graag weten of het goed landt. Ik geef een voorzet met mijn boek, en daarna komen er in reactie op het boek allerlei verhalen bij.’
Lida: ‘Als kinderboekenschrijver is het voor mij heel nuttig om in schoolklassen te komen, om te kijken wat er leeft onder kinderen. Ik wil in de eerste plaats taalplezier verspreiden, mijn kennis doorgeven en anderen op weg helpen in het vak. In deze tijd moet echter niet alleen het boek, maar ook de schrijver worden verkocht. Wat is de schrijver voor personage, komt die een beetje aardig uit zijn woorden? Ik vind dat jij dat heel goed doet, Anne-Goaitske. Ik heb je verschillende keren met een goed verhaal op televisie voorbij zien komen, je kreeg de Friese vrouw in de Media Award. Als je een goed verhaal hebt, kun je een voorbeeld zijn. Dat je ook een succesvolle schrijfster kunt zijn als je in Fryslân woont, daar wil ik me sterk voor maken, dat kinderen uit het Noorden weten, wij hebben kansen.’
‘Ik wil graag meer in het Fries schrijven’, bekent Anne-Goaitske, ‘maar anderen zeggen tegen mij, dan word je nooit echt succesvol, je moet uitbreken. Maar dan denk ik bij mezelf, het lukt jou ook! Het kan wel! Voor mij ben jij ook een rolmodel, Lida.’
Om de beste ervaringen te bieden, gebruiken wij technologieën zoals cookies om informatie over je apparaat op te slaan en/of te raadplegen. Door in te stemmen met deze technologieën kunnen wij gegevens zoals surfgedrag of unieke ID's op deze site verwerken. Als je geen toestemming geeft of uw toestemming intrekt, kan dit een nadelige invloed hebben op bepaalde functies en mogelijkheden.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.