Dit is de tweede update van dichters Anja Rockel en Laura Mijnders, die in het kader van het project Schrijven met een zeehond een maand lang hun eigen zeehond volgen bij het Werelderfgoedcentrum Waddenzee in Lauwersoog. Hun observaties vormen de basis voor twee gedichten die dit najaar gepresenteerd worden.

Laura is terug van een week vakantie en merkt hoezeer ze naar Kiko en Addie heeft uitgekeken. In haar afwezigheid is Kiko overgeplaatst naar fase drie: hij wordt klaargestoomd voor zijn vrijlating. ‘Ergens gaat het me te snel,’ schrijft ze. ‘Waar blijft de tijd? Addie zit nu alleen. Ergens voel ik met hem mee. Zou hij zijn maatje missen?’

Ze brengt deze week veel tijd door met simpelweg kijken. Bij Kiko, die inmiddels met drie andere zeehonden in één bad zit, merkt ze iets opvallends: ‘Zodra ik een tijdje alleen bij ze sta te kijken, komen ze weer naar boven zwemmen. Maar zodra er andere mensen bijkomen, duiken ze onder water.’ Ze test het drie keer, met hetzelfde resultaat. “‘Voelen ze aan dat ik geen kwaad in de zin heb? Of ruiken ze mijn hormonen, herkennen ze misschien mijn silhouet? Hoe vaker ik hier kom, met hoe meer vragen ik vertrek.’

Voor ze bij Kiko wegloopt, blijft ze nog even stilstaan bij de jongste zeehonden in fase één. ‘Wat zijn ze klein vergeleken met Kiko en Addie,’ schrijft ze. Eén van hen heeft een wond op zijn vin. ‘Ik zou hem willen oppakken, in mijn armen willen wiegen en willen fluisteren dat het allemaal goed komt.’

Bij Addie, die ze nu ook namens Anja bezoekt, valt haar iets anders op. ‘Hij doet me denken aan een optimistische collega van me. Altijd vrolijk, onbewogen in tijden van stress.’ Ze ziet hem herhaaldelijk op de badrand klimmen om er even te liggen en er weer af te glijden, ‘alsof hij zich zijn eigen glijbaan voorstelt.’ Wanneer ze hem later zijn snuit ziet aanraken met die van de zeehond aan de andere kant van de scheidingswand, vraagt ze zich af: ‘Zou hij Kiko dan toch missen? Kan een solitair dier ooit eenzaam zijn?’

Aan het einde van haar bezoek, doorweekt door de regen op weg naar de auto, overvalt haar een gevoel van eenzaamheid. Thuis knuffelt ze extra lang met haar eigen honden. In een mail aan de groep beschrijft ze later hoe dat haar is bijgebleven: ‘Terwijl ik begon met het observeren van de zeehonden, merk ik dat het proces mij ook mezelf laat observeren. Vragen over gehechtheid, herkenning en eenzaamheid lijken heen en weer te bewegen tussen hen en mij.’

Anja, tijdelijk in Berlijn en dus op afstand van Addie, blijkt juist daar het meest te schrijven. ‘Mijn schrijven is het meest actief in afwezigheid,’ noteert ze. Ze verzamelt kleuren en silhouetten: ze kocht zes nieuwe inkten, vooral groen en blauw, met zilver voor Addies buik. Ze werkt aan lijntekeningen geïnspireerd op Laura’s beschrijvingen van Addies speelsheid, en laat weten dat mensen thuis constant naar Addie vragen: ‘Ze bellen, appen, verzamelen foto’s – vooral de kinderen zijn razend benieuwd hoe het met je gaat.’

Ondertussen weegt ook Kiko’s naderende vrijlating al mee. ‘Mijn gedachten gaan ook uit naar Kiko en het idee dat hij wordt vrijgelaten,’ schrijft Anja vanuit Berlijn, die Laura alvast een afscheidsgroet meegeeft voor als het zover is.