Dit is een column van dichter Laura Mijnders, geschreven na de vrijlating van Kiko, de zeehond die ze een maand lang volgde in het kader van het project Schrijven met een zeehond bij het Werelderfgoedcentrum Waddenzee in Lauwersoog.
Mijn telefoon trilt. Ik zit midden in een werkoverleg, maar besluit toch maar op te nemen. Bij onbekende nummers ben ik altijd bang dat het de politie is. Dat iemand me op kalmerende toon gaat vertellen dat mijn moeder, vader of man is overleden.
Gelukkig is het het zeehondencentrum in Lauwersoog. “Hoi Laura, de zeehond die je voor het project Schrijven met een zeehond volgt, wordt dit weekend vrijgelaten. Als je wilt, regel ik dat je met de vrijlating mee kunt. Neem warme kleding, een handdoek en laarzen mee.”
Ik knik terwijl ik de telefoon stevig tegen mijn oor houd. Dan besef ik dat de beller dat natuurlijk niet kan zien. Gauw zeg ik “ja, graag”, in de hoop dat de teleurstelling niet in mijn stem doorklinkt. Wanneer ik de verbinding verbreek, voel ik me ontzettend egoïstisch. Waarom voel ik me verdrietig, terwijl dit het ultieme doel is? Hij gaat naar huis.
Drie weken lang mocht ik Kiko volgen tijdens zijn herstelproces. Tijdens elk bezoek noteerde ik observaties, vragen en gedachten in mijn dagboek. Door met de verzorgers te spreken, kwam ik erachter dat hij als pup werd gevonden. Zijn gezicht zat vol ontstoken wonden. Waarschijnlijk is hij aangevallen door een hongerige grijze zeehond. Ook dat is natuur. Alleen de littekens zijn nu nog te zien.
Wanneer ik op de dag van de vrijlating het zeehondencentrum inloop, zijn ze al bezig om hem in een kist over te zetten. Ik zie nog net hoe hij omhoog gehesen wordt uit een leeg zwembad. De tranen springen in mijn ogen. Dit was het dan? Gauw loop ik richting de deur.
Ik zie hoe de verzorgers Kiko’s kist op een transportwagentje zetten. “Willen de mensen van Kiko met mij meekomen? Dan gaan we met de lift naar beneden”, zegt een van de verzorgers. Ze lijkt me iemand die er al heel wat werkjaren op heeft zitten: haar armen vol krassen, haar blik vastberaden.
Ik loop samen met het gezin dat hem geadopteerd heeft en dat hem zijn naam gaf, achter de kist aan. Iedereen is stil. Terwijl we beneden wachten, komen via de lift nog twee gezinnen met kisten aan. De kisten staan boven op elkaar. De bovenste zeehond is erg onrustig, net als ik.
Na een korte wandeling over de kade komen we bij de boot aan. Het team en de gezinnen tillen de kisten in een klein bootje dat straks achter ons aan wordt gesleept. Het waait hard en ik moet mijn best doen om te verstaan wat er wordt gezegd. Braaf stappen we aan boord en zoeken een plekje.
We zijn met zo’n dertig mensen. Ik ga naast het gezin zitten dat Kiko adopteerde. Vader vertelt dat hij bijenhouder is en ook in de bijenwereld soms genadeloos hard wordt geconfronteerd met de realiteit. “Als een van de bijen niet doet wat de kolonie wil, steken ze hem dood.”
Ik kijk naar de zee, snuif de lucht op. Het bootje achter ons gaat hevig op en neer op de golven. “Ik vraag me af of ze misselijk zijn”, zegt vader.
Na een uur varen vindt de schipper een geschikte zandplaat. Ik voel een lichte opwinding. Behendig stuurt hij de boot richting het strand. Het team en de gezinnen helpen om de zeehonden uit de boot te tillen. De gezichten van de verzorgers verraden niets, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.
Net als de meeste mensen heb ik mijn broek omhoog gerold en mijn schoenen en sokken uitgedaan. Mijn voeten zakken weg in het slib. De zeehonden worden op een rij op het strand gezet. De gezinnen mogen de deurtjes van de kisten openen.
Er wordt afgeteld. Kiko is de eerste die vooruit schuift. De rest volgt aarzelend. De tranen stromen over mijn wangen. Als iemand ernaar vraagt, zal ik zeggen dat het de wind is.
Halverwege wordt Kiko door de twee anderen ingehaald. Hij lijkt te aarzelen. Maar zodra hun vinnen het water bereiken, verandert er iets. Ze schuiven energiek het blauw in en laten zich richting bodem zinken. Verderop komen ze samen weer omhoog.
We blijven met z’n allen staan kijken. Net als we denken dat het tijd is om terug op de boot te klimmen, schuift Kiko het strand weer op. Hij kijkt even, draait zich dan weer om richting zee. Zijn kop is nog een paar keer boven water te zien voordat hij volledig uit het zicht verdwijnt. Ik ben blij, maar voel ook een zeurende leegte. Kiko was nooit van mij.
Op de boot kijk ik nog een paar keer achterom. Ik denk in de verte nog een kopje te zien, maar dan is er alleen nog het golvende blauw. De eerste regendruppels kletteren op de boot.
